Diabetes Mellitus

Met name bij mensen met Diabetes Mellitus type 2 met overgewicht draagt gewichtsvermindering bij aan de verbetering van de bloedglucose waarden, het triglyceridengehalte en het HDL gehalte van het bloed.

Bij mensen met diabetes mellitus type 2 met tabletten en/of insuline is de koolhydraat inname en de koolhydraat verdeling van belang in verband met het voorkomen van een te lage bloedglucose (= hypoglykemie).

U moet letten op:

Koolhydraten
Koolhydraten is de verzamelnaam voor zetmeel, melksuiker (= lactose), vruchtensuiker (= fructose), suiker (= sacharose) en druivensuiker (= glucose).
Koolhydraten komen voor in aardappelen, rijst, deegwaren, peulvruchten, brood, melk, karnemelk, yoghurt, groente, fruit, vruchtensap, suiker, stroop, honing, snoep, frisdrank, gebak en koek.
De inname van koolhydraten is afhankelijk van medicatie, lichamelijke inspanning en stress.
Bij personen met diabetes type 1 en type 2 met insulinegebruik dienen pieken in de koolhydraat inname per maaltijd voorkomen te worden. Het gebruik van koolhydraat bevattende tussenmaaltijden is alleen zinvol als hiermee hypoglykemiën kunnen worden voorkomen. .

Vetten
Er zijn verschillende soorten vet in de voeding. We kennen verzadigd vet en onverzadigd vet.
De verzadigde vetten zijn “slechte vetten” en dienen verlaagd te worden tot max. 10% van de totale hoeveelheid energie. Deze hoeveelheid zorgt voor een goede verhouding van HDL / LDL cholesterol en voor voldoende levering van de in vet oplosbare vitamines A,D,E,K en essentiële vetzuren.
De verzadigde vetzuren komen met name voor in roomboter, gewone harde margarines in een wikkel, frituurvet, vet vlees en vette vleeswaren, volvette kaas, volle melk en volle melkproducten, koffiecreamer, imitatieslagroom, chocolade, koek en gebak.
Bij voorkeur wordt verzadigd vet vervangen door onverzadigde vetzuren, de “goede vetten”.
Onverzadigde vetten komen voor in o.a. oliën, halvarine, dieetmargarine, vloeibare bak- en braadproducten, noten en avocado.
Voor het verbeteren van het triglyceridengehalte is het gebruik van 2 maal per week (vette) vis aan te raden: bijvoorbeeld zalm, makreel, tonijn, haring, sardines.

Eiwit
Eiwitten zijn nodig om het lichaam op te bouwen en te onderhouden. Eiwitten zijn iedere dag nodig, want het lichaam kan er geen reservevoorraad van aanleggen. Gebruikt men meer eiwit dan nodig is voor opbouw en onderhoud, dan wordt het overschot benut om er energie uit te halen.
Belangrijke eiwitbronnen zijn vlees, vis, eieren, kaas, melk en melkproducten, peulvruchten, soja producten, noten, brood en graanproducten. Aanbevolen is 0,8 tot 1 gram per kilogram ideaal lichaamsgewicht per dag. Onder ideaal lichaamsgewicht verstaat men een BMI tussen 20 en 25 (zie ook hierboven “Bereiken/handhaven van een goed gewicht”).
Met name bij proteïnurie (= eiwit in de urine) is het van belang dat de voeding niet meer eiwit bevat.

Voedingsvezels
Voedingsvezel is de verzamelnaam voor de onverteerbare bestanddelen in de voeding. Ze komen alleen voor in plantaardige voedingsmiddelen en zijn onder andere nodig voor een goede stoelgang. Voedingsvezels hebben een gunstige werking op het glucose, insuline- en lipiden gehalte in het bloed.
Het eten van vezelrijke voeding geeft langer een verzadigd gevoel en wordt daarom met name bij overgewicht aangeraden. Rijk aan vezels zijn bruinbrood, roggebrood en volkorenbrood, graanproducten, peulvruchten, groente en fruit. Een mens heeft ca. 30 gram vezels per dag nodig.

Zoutgebruik
Wees matig met zout. Gemiddeld levert onze voeding 9 gram keukenzout per dag. Dit komt overeen met zo’n 3600 mg natrium, terwijl niet meer dan ongeveer 500 mg natrium per dag nodig is.
Natrium is een mineraal, dat zowel in het lichaam als in het voedsel voorkomt. Het is een bestanddeel van keukenzout: 1 gram keukenzout bevat 400 milligram natrium.
Samen met kalium, een ander mineraal, regelt natrium het vochtevenwicht in het lichaam. Normaal gesproken scheiden de nieren een teveel aan natrium uit via de urine.
Door verschillende oorzaken kan natrium worden vastgehouden, waardoor het vochtevenwicht wordt verstoord. Het lichaam houdt dan extra vocht vast, met als gevolg een toename van de hoeveelheid bloed. Het hart moet dan harder werken om het bloed rond te pompen in het lichaam en er ontstaat een verhoogde bloeddruk (= hypertensie).
Door minder natrium in de voeding te gebruiken kan het vochtevenwicht in het lichaam zich herstellen. Een natrium beperkt dieet betekent dat uw voeding minder natrium, dus minder keukenzout moet bevatten. Voeg minder zout toe tijdens de bereiding en vermijdt producten die van zichzelf al veel zout bevatten. Voedingsmiddelen die veel zout bevatten zijn o.a.: kant- en klare sauzen en soepen, bouillonblokjes, strooi aroma, vloeibare aroma, vleeswaren zoals rauwe ham en rookvlees, rookworst, hamburgers, kaas, haring, zoutjes, chips, snacks zoals frikadellen en bamiballen.

Alcoholgebruik
Wees matig met alcohol. Per dag zijn twee à drie alcoholconsumpties geen bezwaar, mits de medicatie dit toelaat en er geen sprake is van een energie beperkt dieet. Het effect van de “snack bij de borrel” is onvoorspelbaar en dus af te raden.
Het is aan te raden om een paar uur na consumptie een zelfcontrole uit te voeren en indien nodig een kleine koolhydraat consumptie te nemen, bijvoorbeeld een boterham of kleine portie fruit (ongeveer 20 gram koolhydraten) om een hypo gedurende de nacht te voorkomen. Onze regel is: geen rustige nacht onder de 8; dus bij bloedglucose waarde kleiner dan 8 mmol/l (145 )

Zoetstoffen
Tegenwoordig wordt suiker in allerlei voedingsmiddelen vervangen door zoetstoffen. Zoetstoffen zijn synthetische stoffen die onderverdeeld kunnen worden in twee categorieën:

Intensieve zoetstoffen zoals Cyclamaat, Aspartaam, Acesulfaam-k en Sacharine.
Deze zoetstoffen:
Verhogen de bloedglucose niet.
Leveren vrijwel geen calorieën (energie).
Worden verwerkt in zoetjes voor de koffie en thee, vloeibare of poedervormige zoetstof, light frisdranken, light vruchtensappen en melkproducten zonder toegevoegde suiker.

Extensieve zoetstoffen zoals Sorbitol, Xylitol, Maltitol, Isomalt, Mannitol en Lactitol.
Deze zoetstoffen:
Verhogen de bloedglucose vrijwel niet.
Leveren ongeveer evenveel calorieën (energie) als gewone suiker.
Kunnen winderigheid en diarree veroorzaken.
Worden verwerkt in “suikervrije” chocolade, koek, gebak, bonbons en ijs. Hierin zit meestal veel verzadigd vet.

Intensieve zoetstoffen zijn een goede vervanger voor gewone suiker. Extensieve zoetstoffen hebben weinig voordelen en zijn daarom minder goed te gebruiken als vervanger voor suiker.

Zijn zoetstoffen veilig?
Tegenwoordig worden intensieve zoetstoffen in veel voedingsmiddelen gebruikt. Hierdoor gaan mensen steeds meer zoetstoffen gebruiken. Een vaak gestelde vraag is dan ook of het gebruik van zoetstoffen wel veilig is. Per zoetstof is er een ADI vastgesteld, de aanvaardbare dagelijkse inname. Deze hoeveelheid is afhankelijk van de soort zoetstof die in een voedingsmiddel gebruikt is en uw lichaamsgewicht.
Het is daarom niet mogelijk een eenduidige richtlijn over alle producten te geven.

Glycemische index
De glycemische index is een maat waarmee het effect van koolhydraat rijke voedingsmiddelen op het bloedsuikergehalte kan worden aangegeven.

Een voedingsmiddel met een lage glycemische index leidt tot een langzame en minder hoge stijging van de bloedglucose spiegel.
Een voedingsmiddel met een hoge glykemische index geeft een snellere en hogere stijging van
de bloedglucosespiegel.

De glycemische index zegt dus iets over de snelheid waarmee glucose afkomstig van koolhydraten uit de voeding wordt opgenomen in het bloed. Daarom wordt er ook wel gesproken van snelle koolhydraten (hoge glycemische index) en langzame koolhydraten (lage glycemische index).

Snelle koolhydraten zitten bijvoorbeeld in:
Aardappelen (gekookt of puree)
Witte rijst
Cornflakes
Patat
Popcorn
Druivensuiker
Limonade

Langzame koolhydraten zitten bijvoorbeeld in:
Kiwi, banaan, appel
Peulvruchten
Volkoren spaghetti
Meergranen brood, roggebrood

Wanneer u een hypo heeft kunt u snelle koolhydraten gebruiken om uw bloedsuiker te laten stijgen. Voorbeelden hiervan zijn limonade en druivensuiker.
Ook aardappelpuree of gekookte aardappelen komen redelijk snel als glucose in uw bloed. Als u voor de warme maaltijd aan de lage kant zit met uw bloedglucose, kunt u daarom beter beginnen met de aardappelen dan met een ander gerecht.
Peulvruchten worden juist langzaam als glucose in uw bloed opgenomen en kunnen de oorzaak zijn van een lage bloedglucose na de maaltijd, maar een hogere bloedglucose een paar uur later.

In Nederland wordt de glycemische index weinig gebruikt.
De glycemische index heeft namelijk een aantal nadelen:

  • De reactie op langzame en snelle koolhydraten kan per persoon verschillen.
  • Bij gebruik van de glycemische index is de insuline minder goed op de hoeveelheid koolhydraten af te stemmen.
  • Een maaltijd bestaat zelden uit één voedingsmiddel en van gecombineerde gerechten is de glycemische index meestal niet bekend.


Bij het vaststellen van het dieet dient ook rekening te worden gehouden met:

Sociale factoren zoals: eet- en leefstijl, wisseldiensten, weekendvariatie, uitslapen, uit eten, reizen en vakantie, invloed van het gezin, lichamelijke factoren: mobiliteit, sporten etc., psychische factoren: de emotionele beleving van de diabetes, van het eten, evt.eetstoornissen.

Ga voor uitgebreide informatie naar: http://www.diep.info